Gelijk wij reeds vroeger de lezers van het Nederlandsch Magazijn hebben bekend gemaakt met de wijze, waarop een en ander nuttig voorwerp vervaardigd wordt, zullen wij thans de behandeling van het hoeden-maken mededeelen.
In de vroegste tijden, zoowel als bij de minst beschaafde volken, vinden wij hoofddeksels van stroo, spaan, biezen en van andere gemakkelijk te bewerken zelfstandigheden; doch tot het vervaardigen van een’ vilten hoed wordt eene grootere hebbelijkheid, en eene juistere kennis der uitwerking van hitte en vocht op zekere zelfstandigheden vereischt. Om deze reden moet eene natie zeer in beschaving zijn vooruitgegaan, en groote vorderingen in de kunsten gemaakt hebben, eer zij in staat is een’ vilten hoed zamen te stellen.
Het eerste wat bij het hoeden-maken vereischt wordt, is het maken van de zelfstandigheid of van het zoogenaamde vilt. De materialen, welke hiertoe gebezigd worden, bestaan in haar of wol, zoo als koeijen-, konijnen-, hazen-, bokken-, kemels-, beverhaar, schapenwol enz., hoewel het kastoor- of beverhaar het beste is. Het kemelshaar, hetwelk langer dan de meeste andere haar-soorten is, kan voornamelijk dienen om de stof of het vilt beter zamen te houden, op de wijze als het haar bij pleister- en metselwerken dient, om het cement of de kalk beter te doen hechten.
Wanneer de haren of de wol gekamd en gezuiverd, en in behoorlijke evenredigheid afgewogen zijn, worden zij gevold. Tot het ondergaan van deze bewerking worden de haren gelegd op eene vlakke werktafel, welke aan drie zijden met een’ rand omgeven is, ten einde te voorkomen, dat zij wegvliegen, wanneer de volboog in werking gebragt wordt.
Deze boog, welke zeer sterk is, wordt vervaardigd van hout, doch is niet als een gewone boog buigzaam, maar veeleer zamengesteld in den vorm van een raam, over het welk eene zeer sterke snaar van kattendarm is gespannen. Een gewigt, bevestigd aan eene koord welke over eene schijf loopt, en naderhand aan het midden van den boog wordt vastgemaakt, dient om dezen op te trekken, en dus in het vervolg aan den werkman niet hinderlijk te doen zijn.
Wanneer de stoffen op de tafel uitgespreid zijn, wordt de boog tot bijna op dezelve nedergelaten, en door den werkman stevig met de linkerhand vastgehouden. Vervolgens wordt de snaar, welke nu nagenoeg waterpas met de wol of het haar is, met de regterhand uitgetrokken en losgelaten, door welke veroorzaakte trilling de wol opvliegt, langzaam in losse vlokken op de tafel nedervalt, zich afzondert en deszelfs vezels onderling worden vereenigd. Nadat deze bewerking eenigen tijd herhaald is, wordt de wol, door middel van het mandvormige werktuig, hetwelk men aan de linkerhand van den werkman op onze houtsnede ziet, in eene driehoekige gedaante gebragt, en in dezen staat tot eene meer vaste zelfstandigheid in elkander gewerkt, door middel van een uit hard leder vervaardigd werktuig.
Wanneer de stof toereikend vast is, wordt een model van papier, dat is een vorm van stijf papier in dezelfde driehoekige gedaante als de vastgewerkte wol, doch iets kleiner, op dezelve gelegd en de randen omgebogen, zoodat, als A het zigtbare gedeelte van het papier is, B B de omgebogene randen van het vilt aanduiden. Dit bewerkte stuk wordt vervolgens weggezet, en met eene andere gelijke hoeveelheid wol dezelfde bewerking herhaald, waarna het eerst bereide gedeelte, met het onbedekte papier naar onderen gekeerd, gelegd wordt op het tweede stuk vilt, van hetwelk de randen op dezelfde wijze worden omgeslagen.
Door deze bewerking wordt de vorm van papier aan beide zijden met het haar (of de wol) bedekt, en dit zoude, indien de beide gedeelten waren vereenigd, de gedaante hebben van een’ kegelvormigen kap of zak. Ten einde nu de vezels onderling te verbinden, wordt het pasgevormde ligchaam met water besprengd en in verschillende rigtingen geperst en gerold.
Wanneer men, ten einde het bovenstaande beter te begrijpen, eenen katoendraad neemt, zal men bevinden, dat deszelfs vezels, in droogen staat, zich gemakkelijk afzonderen; doch dat dit, zonder het aanwenden van eene buitengewone kracht, onmogelijk is, wanneer dezelve nat of vochtig zijn.
De papieren vorm wordt nu er uitgenomen, en de kap op de batterij gebragt. Deze werkplaats bestaat in een’ metalen ketel, om welken zes of acht schuin afloopende planken bevestigd zijn, en in welken de vloeistof door middel van een fornuis bijna kokend wordt gehouden. Het ligchaam van den hoed, welke nu aan de opening nagenoeg dertien duimen over het kruis wijd is, moet thans de bewerking ondergaan, waardoor hij dikker en dus tevens kleiner wordt.

Om dit doel te bereiken, doopt de werkman het vilt in het vocht, hetwelk zich in den ketel bevindt, en hetwelk bestaat uit een mengsel van heet water met wijnmoer of droesem van bier met eene kleine hoeveelheid vitrioololie. De heete vloeistof veroorzaakt, dat de vezels inkrimpen en zich vaster en naauwer met elkander vereenigen, waardoor tevens het vilt dikker wordt. Na elke indompeling in de heete vloeistof, wordt de kap of muts door den werkman in onderscheidene rigtingen gerold, opdat de deelen zich meer innig vereenigen, en wanneer door zoodanige voortdurende bewerking het ligchaam tot eene geschikte en doelmatige grootte gebragt is, wordt hetzelve weggezet en gedroogd.
De daarop volgende bewerking heeft ten doel om het vilt waterproef te maken, hetwelk bereikt wordt door middel eener oplossing van schellak in wijngeest, waarna hetzelve geschikt is om met kastoor of andere fijne wol te worden bedekt. Hiertoe wordt eene hoeveelheid van deze stoffen aan dezelfde bewerking met den volboog onderworpen; doch nu wordt in de plaats van het model van papier, het eerstbereide vilt gebruikt, over hetwelk het kastoorvilt aan beide zijden gespreid wordt, op zoodanige wijze, dat dit laatste het eerste volkomen bedekt, waarna de dus gevormde kap, op de zelfde wijze als vroeger gezegd is, op de zich rondom den ketel bevindende hellende vlakken gerold en gekneed wordt, totdat de kastoor zich ten volle heeft vastgehecht.
Het is zeer zonderling en der opmerking waardig, dat bij deze bewerking de worteleinden van het gebruikte haar (of van de wol) zich aan het ligchaam hechten, zoodat het gedroogd zijnde, zich vertoont even als op het ligchaam van het dier zelf. Na deze bewerking wordt de kap omgekeerd, dat is met het binnenste naar buiten, en langs den rand eene andere hoeveelheid kastoor aangehecht, ten einde den onderkant van den rand des hoeds te vormen, waarna het geheele ligchaam van denzelven, hoewel nog in eene kegelvormige gedaante, klaar is.
Om deze muts vervolgens de gedaante van den hoed te geven, wordt zij, nog nat zijnde, gespannen over een’ houten vorm, welke de gedaante heeft van den bol des hoeds, en wel zoodanig en zoo lang totdat de punt des kegels volkomen vlak is, en het onderste gedeelte, hetwelk den rand moet vormen, vlak is uitgespreid. Na deze bewerking wordt de hoed in koud water gedompeld, waardoor oogenblikkelijk het vernis hard en hij derhalve stijf wordt.
Verder moet de hoed geboegeerd worden, dat is: de lange haren moeten gelijk worden afgeknipt, of even als fluweel worden geschoren en eindelijk geverwd. Dit laatste wordt, even als alle andere wollen goederen, in de zwartkuip gedaan.
Het eenige, wat nu nog overblijft, bestaat in het stofferen, hetwelk gedaan wordt met heete ijzers, om de haren alle naar eene rigting te strijken, en met water, om den rand dien vorm te geven, welke door de mode wordt voorgeschreven, waarbij deze laatste tevens wordt gezoomd met een lint, en de bol voorzien met eenen zoogenaamden kap.
Nederlandsch Magazijn, 1836, p. 348-350
Klik of tik hier voor de bijbehorende blogpost.
Klik of tik hier voor de hertaalde, makkelijker leesbare versie van dit artikel.